Het voorzorgsbeginsel, sinds 2002 verankerd in het Europese levensmiddelenrecht, biedt overheden de mogelijkheid om maatregelen te nemen bij wetenschappelijke onzekerheid over mogelijke risico's voor de volksgezondheid. In dit artikel wordt, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Mededeling van de Europese Commissie over het voorzorgsbeginsel, gereflecteerd op de toepassing ervan in de praktijk. Aan de hand van drie voedselcrisissen – de EHEC-uitbraak (2011), de fipronilcrisis (2017) en de ethyleenoxidecrisis (2021) – analyseren de auteurs hoe het voorzorgsbeginsel is toegepast, welke juridische en praktische knelpunten zich voordeden, en welke lessen hieruit getrokken kunnen worden. De analyse richt zich op vier kernaspecten van het voorzorgsbeginsel: (1) de aanwezigheid van wetenschappelijke onzekerheid, (2) de kwaliteit van de risico-evaluatie, (3) de proportionaliteit van de genomen maatregelen, en (4) de herbeoordeling van genomen maatregelen op basis van nieuw wetenschappelijk onderzoek. De auteurs constateren dat, hoewel het beginsel in de meeste gevallen correct is toegepast, er ruimte is voor verbetering, met name op het gebied van transparantie, proportionaliteit en het voorkomen van voedselverspilling. Dit artikel beoogt bij te dragen aan een toekomstbestendige toepassing van het voorzorgsbeginsel in tijden van voedselcrisissen.