1. Inleiding
Wanneer het gaat over (beboeting in) het strafrecht, geldt een grote mate van straftoemetingsvrijheid.2Zie M.S. Groenhuijsen & T. Kooijmans, 'Bestraffing in Nederland', in: Bestraffing in Nederland en België (preadvies voor de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 1-100; F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021. Doorgaans wordt vooral gekeken naar de ernst van het gepleegde feit,3De aard van het feit wordt in dit verband vaak in één adem genoemd met de ernst van het feit. de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon van de dader en diens draagkracht. De invulling van die omstandigheden is al snel als algemeen kader terug te vinden. Het beeld ontstaat dat sprake is van een wat obligate invulling van de omstandigheden die de hoogte van de boete bepalen.4Zie bijvoorbeeld recent nog: Rb. Oost-Brabant 3 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3118 (Onderzoek Ramallah60). De rechtbank wijkt uit naar de zesde categorie, en overweegt niet meer dan dat een geldboete op basis van de vijfde categorie geen passende bestraffing toelaat. De maximum op te leggen boete (€ 4.350.000) wordt vervolgens 'teruggebracht' naar € 2.200.000, waarvan € 500.000 voorwaardelijk. De draagkracht wordt in het vonnis niet genoemd. Dat de Hoge Raad geen blijk geeft op dat punt veel meer te verwachten van de feitenrechter, draagt daar bepaald niet aan bij.