De auteurs bepleiten in dit artikel een wettelijke herijking zowel van de limitatief geformuleerde redelijke gronden voor ontslag als van de in hun ogen te starre transitievergoeding en te flexibele billijke vergoeding. Zij stellen aanpassingen voor waardoor meer recht kan worden gedaan aan de bijzondere omstandigheden van het geval.
I. Inleiding
1. Wie de ontwikkelingen in de Verenigde Staten rond DOGE (Department Of Government Efficiency) volgt, zal snel blij zijn dat het Nederlandse arbeidsrecht sinds 1954 een rechterlijke toetsing op de redelijkheid van ontslagen kent.2Zie de 'klassieker' van M.G. Levenbach, Het nieuwe burgerlijkrechtelijke ontslag, Alphen aan den Rijn: Samsom 1954. In het toenmalige art. 1639s BW (laatstelijk art. 7:681 BW) was dat, blijkens het woordje 'kennelijk', nog een (min of meer) marginale toetsing, al werd dat marginale in de rechterlijke praktijk steeds minder van belang.3Vgl. b.v. HR 27 november 2009, JAR 2009/305 (Van de Grijp/Stam) en HR 12 februari 2010, JAR 2010/72 (Rutten/Breed). Praktisch belangrijker was echter de ontwikkeling in de toepassing van art. 6 BBA 1945, zoals die ontwikkeling blijkt uit de verschillende versies van het zogeheten Ontslagbesluit.4Zie voor de ontwikkelingen op dit gebied tot de invoering van de Wwz: Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 24e druk, 2014, p. 357-361. Rond 1980 is de route van art. 6 BBA echter voor individuele ontslagen grotendeels verlaten, omdat (met de toen spelende economische crisis) de praktijk uitwees dat ontslagvergunningen wel erg vaak werden geweigerd. Op basis van het ook in 1954 al gewijzigde artikel over de gewichtige reden (laatstelijk art. 7:685 BW) heeft zich toen een praktijk ontwikkeld waarbij belangrijk was dat de Kring van Kantonrechters in 1997 kwam tot de formulering (en, enige tijd later, tot aanpassing) van de zogeheten Kantonrechtersformule. Die formule heeft de praktijk goede diensten bewezen.