In deze bijdrage staat de voordeelgerelateerde boete in het financieel toezicht centraal. De toezichthouders passen deze boetevoegdheid maar mondjesmaat toe als het aankomt op de berekening van het voordeel. We trekken een parallel met de al langer bestaande ontnemingspraktijk in het strafrecht. We ronden af met enkele bespiegelingen over de wijze waarop financieel toezichthouders verder invulling kunnen geven aan de voordeelgerelateerde boete
1. Inleiding
Per 1 augustus 2009 is via de Wet wijziging boetestelsel financiële wetgeving in de volle breedte van het financieel toezicht de voordeelgerelateerde boete ingevoerd. Voor toepassing daarvan gold als vereiste dat sprake moest zijn van een genoten voordeel hoger dan € 2 miljoen. De financieel toezichthouders beschikten hiermee over een boetebevoegdheid waarmee de maximale boetehoogte kon oplopen tot ten hoogste tweemaal het bedrag van het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft gekregen.2Zie Stb. 2009, 327. Vgl. art. 9c lid 3 Wet financiële betrekkingen buitenland 1994 (Wfbb); art. 22 lid 3 Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wig) (oud); art. 1:81 lid 3 Wet op het financieel toezicht (Wft) (oud); Art. 28 lid 4 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) (oud); art. 55 lid 3 Wet toezicht accountorganisatie (Wta); art. 22 lid 3 Wet toezicht trustkantoren (Wtt) (oud); art. 174 lid 3 Wet verplichte beroepsregeling (oud). De voordeelgerelateerde boete paste op dat moment binnen een bredere Europese tendens. De Europese Commissie overwoog in haar mededeling 'Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector' dat de winst die de overtreder met de schending verdiende, zou bijdragen aan de doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikking van de daadwerkelijk opgelegde sanctie. Zie Brussel 8 december 2010 COM (2010) 716 definitief.