In deze bijdrage betogen wij dat de Nederlandse rechtspraktijk in strijd is met het Unierecht voor wat betreft de wijze waarop de plicht bepaalde scholing kosteloos te verstrekken bij beroepsopleidingen en -kwalificaties wordt toegepast. Dat de praktijk worstelt met de uitleg van de vergoedingsplicht verbaast niet. De Nederlandse implementatiewetgeving blinkt, op zijn zachtst gezegd, niet uit in helderheid. Iets meer dan twee jaar na de inwerkingtreding van de Wet transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden voelt het gerechtshof Den Haag zich genoodzaakt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over de interpretatie van de plicht. Deze bijdrage brengt eerst in kaart hoe de verplichting bepaalde scholing te vergoeden tot nu toe door feitenrechters wordt uitgelegd (paragraaf 2). We stellen vast dat rechters in de regel voor beroepsopleidingen geen vergoedingsplicht aannemen op basis van de algemene scholingsplicht van art. 7:611a lid 1 BW, maar wel bereid zijn dit te doen op grond van een bijzondere wettelijke regeling of cao-bepaling. Vervolgens betogen we dat die praktijk in strijd is met de minimumverplichtingen uit de Richtlijn Transparante en Voorspelbare Arbeidsvoorwaarden (paragraaf 3). Tot slot gaan we na of de Nederlandse wetgever ruimte heeft bepaalde scholing, zoals beroepsopleidingen en -kwalificaties, van de vergoedingsplicht uit te zonderen zonder dat zij daarmee de non-regressiebepaling van de Richtlijn schendt (paragraaf 4).