Het niet-opleggen van een boete door een lidstaat kan bekostiging van een voordeel met staatsmiddelen met zich meebrengen, maar hoe dient het staatssteunrecht om te gaan met situaties waarin er onduidelijkheid bestaat over de vraag of er überhaupt sprake is van een strafbaar feit? In dit artikel sta ik stil bij deze vraag, die recentelijk is beantwoord door het Hof van Justitie in het Dansk Erhverv v IGG arrest.
In september 2023 heeft het Hof van Justitie (het Hof) een arrest gewezen in het hoger beroep van de Europese Commissie (de Commissie) en de Interessengemeinschaft der Grenzhändler (IGG) tegen het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (het Gerecht).2HvJ EU 14 september 2023, gevoegde zaken C-508/21 P en 509/21 P, ECLI:EU:C:2023:669, (European Commission en Interessengemeinschaft der Grenzhändler v Dansk Erhverv). Het ging hier om het niet-opleggen van een boete door twee Duitse gemeenten aan winkels die zich op de grens tussen Duitsland en Denemarken bevinden (grenshandelszaken). In deze zaak gaan het Gerecht en het Hof in op het leerstuk 'niet-opleggen van een boete' en onder welke omstandigheden dit staatsmiddelen in de zin van artikel 107 lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kan opleveren.