Rondom het nieuws
Recent heeft het College voor de Rechten van de Mens in twee 'sleutelzaken' geoordeeld dat ING indirect discrimineert bij toepassing van de sanctieregels.2College voor de Rechten van de Mens, 25 juli 2024, oordeelnummers 2024-62 en 2024-63. In een eerder oordeel van het College voor de Rechten van de Mens (van 28 februari 2023, oordeelnummer 2023-29) werd nog tegengesteld geoordeeld, maar dat was geen sleutelzaak en die zaak werd slechts door één collegelid behandeld. Ik meen dus dat sprake is van voortschrijdend inzicht bij het College voor de Rechten van de Mens. In een andere recente zaak oordeelde het College voor de Rechten van de Mens dat De Volksbank discrimineerde, omdat de De Volksbank niet kon uitleggen waarom een betaling naar de Palestijnse gebieden niet gelukt was (30 augustus 2024, oordeelnummer 2024-74). Hoewel dit formeel een terechtwijzing is van ING, is het mijns inziens in het bijzonder het Ministerie van Financiën dat zich deze uitspraken moet aantrekken.3Uit de consultatie van de voorgestelde modernisering van het huidige sanctiestelsel begrijp ik dat het Ministerie van Financiën samen met de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, Infrastructuur en Waterstaat, Justitie en Veiligheid en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijk is voor de voorgestelde Wet internationale sanctiemaatregelen. Zie https://www.internetconsultatie.nl/sanctiemaatregelen/b1. In essentie oordeelt het College voor de Rechten van de Mens dat de Nederlandse sanctieregels zo streng zijn, dat het middel erger is dan de kwaal. Dit is naar mijn oordeel een belangrijk signaal dat onze overheid zich ten harte moet nemen. Ik licht dit toe.