Annotatie bij HvJ EU 28 april 2022 zaak C‑89/21 <br>(Romega) ECLI:EU:C:2022:313<br>HvJ EU 30 juni 2022 zaak C‑51/21 (MVWOOL) <br>ECLI:EU:C:2022:515<br>Rechtbank Rotterdam 14 december 2023 (vis in tomatensaus) ECLI:NL:RBROT:2023:11675
Drie rechterlijke uitspraken over het achtste lid van artikel 14 van verordening 178/2002. Twee daarvan zijn arresten van de achtste kamer van het HvJ en een van de rechtbank Rotterdam waarin deze de achtste kamer volgt. Alle drie de uitspraken miskennen de inhoud en het nut van het achtste lid van artikel 14. Artikel 14 betreft het verbod onveilige levensmiddelen in de handel te brengen. Op grond van het zevende (en negende) lid geldt een rechtsvermoeden dat levensmiddelen veilig zijn wanneer en voor zover zij voldoen aan specifieke bepalingen die (aspecten van) voedselveiligheid betreffen zoals bijvoorbeeld limieten voor contaminanten of residuen. Het achtste lid dat hier centraal staat, verleent autoriteiten de bevoegdheid dit rechtsvermoeden van veiligheid ter zijde te stellen wanneer er reden zijn te vermoeden dat het levensmiddel onveilig is ook al voldoet het aan die bepalingen. De rechtspraak meent nu dat de betekenis van deze bepaling is dat naleving van een specifieke norm ten aanzien van een bepaald voedselveiligheidsaspect – of zelfs de afwezigheid van zulk een norm – er niet aan in de weg staat een levensmiddel onveilig te achten vanwege een ander aspect. Deze interpretatie is zinloos. De werkelijke bedoeling van het achtste lid is om autoriteiten de bevoegdheid te geven een rechtsvermoeden van veiligheid dat voortvloeit uit de naleving van een specifieke norm ter zijde te stellen in situaties waarin de desbetreffende norm op het gereguleerde aspect onvoldoende bescherming biedt, bijvoorbeeld in het licht van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht.