0.1. Het meeste onderzoek naar de kwaliteit van integriteitsprogramma's is gericht op de implementatie en op de effectiviteit van integriteitsmaatregelen. Ik kies hier voor een andere benadering op basis van de vraag aan welke normen het integriteitsprogramma van een organisatie moet voldoen om in zichzelf heel, ofwel integer te zijn. Ik kom tot vier normen die betrekking hebben op: de intentie van het integriteitsprogramma, de organisatorische en de maatschappelijke verankering van het integriteitsprogramma; en de procesmatige opzet van het integriteitsprogramma. De normen zijn uitgewerkt tot een kader dat gebruikt kan worden voor het evalueren en verbeteren van integriteitsprogramma's en -systemen. Tevens wordt stilgestaan bij het belang en de toepassing van risicoanalyses binnen het evaluatie kader.
1. Inleiding: integriteit als heelheid
Om integriteit te bevorderen en om te voldoen aan wettelijke kaders en sectorale afspraken beschikken veel organisaties inmiddels over integriteitsprogramma's. Integriteitsprogramma's (hierna IP's) bestaan uit een verscheidenheid aan maatregelen, zoals gedragscodes, integriteitstrainingen, meldregelingen, vertrouwenspersonen, integriteitsfunctionarissen en onderzoeksprotocollen. Het meeste onderzoek naar de kwaliteit van IP's is gericht op de implementatie en op de effectiviteit van integriteitsmaatregelen. Maar de kwaliteit van IP's kan ook op normatieve wijze worden beoordeeld vanuit de vraag aan welke normen IP's moeten voldoen om in zichzelf integer te zijn. Ik leid deze normen rechtstreeks af van de oorspronkelijke betekenis van het begrip integriteit dat verwijst naar een staat van heelheid. Immers, ook in de literatuur wordt heelheid beschouwd als een elementair en overkoepelend criterium van integriteit (Huberts, 2014; Montefiore, 1999; Robinson, Cadzow & Kirby, 2018).