De Richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (de AIFM Richtlijn2Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174).) is sinds deze zomer tien jaar van kracht. In vervolg op het artikel naar aanleiding van het eerste lustrum van de richtlijn in 2018, blikken de auteurs in dit artikel terug op het tweede lustrum en delen hun ervaringen na nog eens vijf jaar AIFM Richtlijn.
1. Inleiding en afbakening
De AIFM Richtlijn voorziet in toezicht op beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (abi’s). Op deze abi-beheerders (hierna kortweg als beheerders aangeduid) rust in beginsel een vergunningplicht voor het aanbieden van abi’s aan investeerders gevestigd in de Europese Economische Ruimte (EER) en/of het beheren van een EER abi, tenzij de beheerder gebruik kan maken van een uitzondering of vrijstelling. Een abi is in de AIFM Richtlijn ruim gedefinieerd en omvat in beginsel iedere collectieve beleggingsinstelling, met uitzondering van zogenoemde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe)3Icbe’s en hun beheerders vallen binnen het bereik van een andere Europese richtlijn. De laatste twee icbe-richtlijnen zijn de vierde icbe-richtlijn (2009/65/EG) die een wijziging en tegelijkertijd een herschikking bevat van de voorafgaande drie richtlijnen en de vijfde icbe-richtlijn (2014/91/EU) die de vierde icbe-richtlijn aanvult en wijzigt op bepaalde onderwerpen.. We gaan in dit artikel niet in op de basisbeginselen van de AIFM Richtlijn of op de belangrijkste vereisten die daarin zijn opgenomen, maar verwijzen daarvoor naar ons eerdere artikel van vijf jaar geleden.4R.E. Labeur en T.W.G. de Wit, ‘Vijf jaar toezicht op alternatieve beleggingsinstellingen: Observaties en ervaringen’, FR 2018, nr. 11, p. 538–549.