Dit artikel gaat in op enkele praktijkvragen die samenhangen met de wettelijke reserve deelneming.
Het artikel gaat in op de volgende drie vragen in relatie tot de wettelijke reserve deelneming (art. 2:389 lid 6 BW):
- als een deelnemende rechtspersoon door verkoop van aandelen, of door verwatering (omdat de deelneming aandelen uitgeeft aan derden), de overheersende zeggenschap verliest, hoe moet de wettelijke reserve deelneming dan worden bepaald? Uitsluitend over de resultaten die de deelnemende rechtspersoon heeft verwerkt na het verlies van overheersende zeggenschap, of ook met betrekking tot daarvoor verwerkte resultaten;
- een vergelijkbare vraag ontstaat bij een deelneming in een besloten vennootschap, waarvan het bestuur (als gevolg van de uitkeringstoets) op enig moment geen toestemming mag verlenen aan het uitkeren van dividend, omdat de vennootschap daardoor niet langer kan doorgaan met het betalen van de opeisbare verplichtingen (art. 2:216 lid 2 BW);
- hoe moet worden omgegaan met een deelneming die zelf een wettelijke reserve (bijvoorbeeld voor ontwikkelingskosten) moet vormen maar nog wel uitkeerbare reserves heeft die zijn ontstaan voor het overnamemoment door de deelnemende rechtspersoon.
Voordat ik inga op de genoemde praktijkvragen behandel ik eerst (kort) de wet- en regelgeving met betrekking de wettelijke reserve deelneming (art. 2:389 lid 6 BW).