Deze bijdrage bevat een beschouwing over twee recente uitspraken met overwegingen omtrent de duiding en de kwalificatie van de contractuele verhoudingen bij (offline) platformarbeid. Ik doel op het vonnis van rechtbank Amsterdam van 13 september 2021 inzake Uber en het arrest van Hof Amsterdam van 21 september 2021 inzake Helpling.2Rb. Amsterdam 13 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5029, JAR 2021/253 m.nt. Bennaars (Uber) en Hof Amsterdam 21 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2741, JAR 2021/263 m.nt. Said (Helpling). Ik start met een vergelijking tussen de businessmodellen van Uber en Helpling. Vervolgens voorzie ik de beide uitspraken apart van kanttekeningen. Overwegingen in de uitspraken die voor platformarbeid in ons land geen rechtstreeks belang hebben, blijven buiten beschouwing. Ik ga evenmin in op de bestaande buitenlandse rechtspraak betreffende Uber.