Bij invoering van het civielrechtelijk bestuursverbod in de Faillissementswet in 2016 is erop gewezen dat bestuurders die oplegging van een dergelijk verbod vrezen, kunnen uitwijken naar een turboliquidatie.2Zie o.m. F.E. Keijzer & M.L. Lennarts, 'Het civielrechtelijk bestuursverbod: geen medicijn maar een Placebo', in: D. Busch et al, Vereeniging 'Handelsrecht'. Preadviezen 2014. Wet continuïteit ondernemingen (delen I en II) en het bestuursverbod, Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 139; N. Kreileman & C.D.J. Bulten, 'Het civielrechtelijk bestuursverbod, Ondernemingsrecht 2016/109, par. 3.1; S. Renssen, 'Art. 2:19 lid 4 BW: een maas in de wet?', JBN 2016/13, par. 4. Voorwaarde voor het kunnen opleggen van een bestuursverbod ex art. 106a Fw is immers dat de betrokkene bestuurder3De reikwijdte van de bepaling is uitgebreid naar gewezen bestuurders; feitelijk beleidsbepalers en uitvoerende bestuurders in geval sprake is van een monistisch bestuursmodel, zie daartoe art. 106a lid 1 en 106d Fw. is van een failliete rechtspersoon als bedoeld in art. 2:3 BW, terwijl men via een turboliquidatie een rechtspersoon met schulden eenvoudig kan doen ophouden te bestaan, in principe zonder dat een faillissement plaatsvindt. In geval van een turboliquidatie wordt de rechtspersoon ontbonden zonder opvolgende vereffening van diens vermogen, waardoor de rechtspersoon op het moment van ontbinding ophoudt te bestaan. Dit is enkel mogelijk als de rechtspersoon op het moment van ontbinding geen baten meer heeft, zie art. 2:19 lid 1 jo. lid 4 BW.