1. Inleiding
In het arbeidsrecht, maar niet alleen daar, komt het vaker voor dat de Nederlandse rechter gevraagd wordt om te toetsen aan fundamentele rechten in de Grondwet en/of in verdragen, zoals het EU Handvest voor de fundamentele rechten en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het is niet altijd meteen duidelijk of deze fundamentele rechten ook een belangrijke rol kunnen spelen in ‘horizontale verhoudingen’ tussen een werkgever en een werknemer. Deze rol wordt weliswaar niet uitdrukkelijk ontkend, toch gebeurt toetsing aan grondrechten op een veelal impliciete wijze. Wat betreft fundamentele rechten in verdragen wordt in de Nederlandse politiek wel eens kritisch gereageerd op de ruimte die de rechter in dit opzicht neemt, vooral naar aanleiding van het Urgenda-arrest van de Hoge Raad over het klimaat.2HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006. Een enkele politieke partij wil minder invloed van rechters via aanpassing van de bepalingen in de Grondwet waarbij rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht direct kunnen worden toegepast in Nederland.3Artikelen 93 en 94 Gw. Corstens, oud-president van de Hoge Raad, en Kuiper achten terughoudendheid nodig vooral bij de toetsing aan verdragenrecht, omdat dit moeilijker te wijzigen zou zijn dan een gewone wet.4G. Corstens en R. Kuiper, De rechter grijpt de macht. En andere misvattingen over de democratische rechtsstaat, 2020. Toetsing aan de Grondwet is in Nederland niet toegestaan (art. 120 GW).