Een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte is voor verhuurders niet altijd een rustig bezit. Met name niet als de huurder de bedrijfsruimte voortijdig wil verlaten waardoor de verhuurder wordt geconfronteerd met aanstaande leegstand. De verhuurder zal in een dergelijk geval proberen via de rechter het voortgezet gebruik van de bedrijfsruimte door de huurder af te dwingen. Meestal op grond van een in de huurovereenkomst opgenomen bepaling die de huurder verplicht tot gebruik van het gehuurde. De contractuele exploitatieplicht. Veelal zal de huurder zich tegen de vordering tot nakoming van de exploitatieplicht verweren met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW. In dit artikel wordt een aantal recente uitspraken besproken waarin de rechter moest oordelen over de vraag of de huurder door de verhuurder kon worden gehouden aan zijn contractuele exploitatieplicht en de huurder zich verweerde met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ter inleiding op de bespreking van die uitspraken wordt de exploitatieplicht van de huurder eerst in de juridische context geplaatst.