1. Inleiding
In Nederland geldt een breed scala aan regels op het gebied van het consumentenrecht. Daarbinnen is een belangrijke rol weggelegd voor de regels over oneerlijke handelspraktijken die het handelaren, kort gezegd, verbieden om zich ten opzichte van consumenten schuldig te maken aan met name misleidende en agressieve handelspraktijken (art. 6:193a BW e.v.). Op de naleving van de regels over oneerlijke handelspraktijken wordt toezicht gehouden door de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM). Ook voor civielrechtelijke handhaving door concurrenten is echter een steeds belangrijkere rol weggelegd, in de zin dat concurrenten andere handelaren steeds vaker aanspreken op overtreding van de regels over oneerlijke handelspraktijken. Wat bij een analyse van de jurisprudentie op dit gebied opvalt, is dat er bij rechters nog veel onduidelijkheid bestaat over onder meer de grondslag voor dergelijke acties. Deze onzekerheid leidt ertoe dat concurrenten deze mogelijkheid nog relatief beperkt gebruiken, terwijl de regels over oneerlijke handelspraktijken ook hun belangen dienen.