Dit artikel is het eerste in een cyclus van 18 artikelen over ‘huur en verbintenissenrecht’ die in 2019 en 2020 in dit tijdschrift gepubliceerd worden. De huurovereenkomst is als bijzondere overeenkomst opgenomen in de vierde titel van Boek 7 van ons Burgerlijk Wetboek. Gelet op de gelaagde structuur van het BW zijn ook de bepalingen van Boek 3 en Boek 6 ten aanzien van het algemene vermogens- en verbintenissenrecht op de huurovereenkomst van toepassing.[2] Bij de invoering van het huidige huurrecht merkte de wetgever in de memorie van toelichting op, dat het bestaande huurrecht op dat moment nog onvoldoende rekening hield met die gelaagdheid.[3] De aansluiting van het huurrecht bij het algemene deel van het verbintenissenrecht was een van de redenen voor de grondige heroverweging van het huurrecht. In deze cyclus wordt de relatie tussen de belangrijkste algemene verbintenisrechtelijke figuren en het huurrecht bedrijfsruimte nader onderzocht.
Deze bijdrage ziet op de precontractuele fase in het huurrecht. De opbouw van deze bijdrage volgt die van de toetsing door de rechter in de praktijk. Het tot stand komen van een huurovereenkomst door middel van aanbod en aanvaarding, beoordeeld aan de hand van de wilsvertrouwensleer, staat daarom centraal in hoofdstuk 1. Hoofdstuk 2 ziet op het afbreken van onderhandelingen. In hoofdstuk 3 worden enkele aanbevelingen voor de praktijk gegeven.