1. Inleiding
Recente witwaszaken, zoals de Russian Laundromat, Danske Bank, ABLV en UBS, hebben
aangetoond dat het gevaar bestaat dat via een zwakke schakel een grote hoeveelheid zwart
geld in het Europese financiële systeem wordt gebracht. Het geld wordt daarna via opeenvolgende
transacties witgewassen. Onder de verklaring van belastingoptimalisatie maakten de
cliënten van deze banken veelal gebruik van internationale complexe structuren met offshore
vennootschappen.
Het is in de praktijk voor instellingen lastig gebleken om meer legitieme vormen van
belastingoptimalisatie te onderscheiden van structuren waarbinnen belastingontduiking, en
daarmee het risico op witwassen, plaatsvinden. Veel zal afhangen van de wijze waarop een
structuur door de cliënt daadwerkelijk wordt gebruikt, welke geldstromen er plaatsvinden en
of er een deugdelijke economische ratio aanwezig is voor het gebruik van de (offshore)
structuur. Door dit te toetsen kan de instelling de risico’s die hiermee gepaard gaan beter
afwegen. Om de beheersing van deze risico’s sectorbreed verder te verbeteren zal De Nederlandsche
Bank (DNB) good practices fiscale integriteitsrisico’s publiceren.1
In dit artikel bekijken we welke (gemeenschappelijke) kenmerken zijn te destilleren uit
recente grote witwaszaken. Vervolgens gaan we nader in op de vraag hoe instellingen2
dergelijke kenmerken op een praktische wijze kunnen toepassen om te helpen voorkomen dat
via ogenschijnlijk fiscaal gedreven structuren langdurig (en veelvuldig) wordt witgewassen
door groepen cliënten. In het bijzonder de rol van offshore vennootschappen in combinatie
met andere kenmerken wordt nader bekeken. Uit recente witwaszaken blijkt namelijk dat
offshore vennootschappen, gevestigd in jurisdicties met een laag belastingtarief en een hoge
mate van anonimiteit, een sleutelrol vervullen bij verhullende transacties waarbij het geld
van zijn criminele oorsprong wordt ontdaan.