Het HvJEU heeft bij arrest van 10 april 2014, zaak C-435/12, ECLI:EU:C:2014:254, NJ 2016/185 (hierna: het prejudiciële arrest), als volgt bepaald:
‘Het Unierecht, en met name artikel 5, lid 2, sub b, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij juncto lid 5 van dat artikel, dient aldus te worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die geen onderscheid maakt tussen de situatie waarin de bron van een voor privégebruik vervaardigde reproductie geoorloofd is, en de situatie waarin deze bron ongeoorloofd is.’
Verder lezen?
Om het volledige artikel te kunnen lezen heeft u een abonnement nodig. Als u al een abonnement heeft log dan in met uw Den Hollander gegevens om dit artikel te bekijken.
Om het volledige artikel te kunnen lezen heeft u een abonnement nodig. Als u al een abonnement heeft log dan in met uw Den Hollander gegevens om dit artikel te bekijken.