Inleiding
In de aanloop naar de aanpassing van Boek 2 Titel 9 per 1 november 2015 aan de Europese jaarrekeningrichtlijn 2013/34 (‘richtlijn jaarrekening’ of ‘richtlijn’) hebben meerdere auteurs diverse beschouwingen gewijd aan wijzigingen in Boek 2 Titel 9 die nodig zijn om te kunnen voldoen aan de richtlijn jaarrekening (of die direct in het verlengde daarvan liggen). Ik noem er een paar:
- harmoniseren van het Nederlandse groepsbegrip in Boek 2 met de definitie in de richtlijn;[2]
- toepassen van de bruto-methode bij de bepaling van de omvang van een groep;[3]
- opnemen van normen voor het verslag van commissarissen;[4]
- reële waardereserve te beschouwen als onderdeel van overige reserves (en niet als herwaarderingsreserve of wettelijke reserve);[5]
- opnemen van algemene beginselen van financiële verslaggeving.[6]
Geconcludeerd kan worden dat de minister al deze beschouwingen heeft genegeerd bij de afronding van wetsvoorstel 34 176, en heeft gekozen voor het doorvoeren van slechts (een deel van) de ‘inhoudelijke’ wijzigingen in de richtlijn jaarrekening ten opzichte van de 4e en 7e richtlijn. Hieruit blijkt dat de wetgevingsprioriteit van het Ministerie van Veiligheid en Justitie niet ligt bij het jaarrekeningenrecht, zoals reeds was voorzien door Van Geffen.[7]