Op de huur van ongebouwde onroerende zaken zijn enkel de algemene bepalingen van art. 7:201-7:230 BW van toepassing, daar waar de huur van woonruimte, 290- en (in beperkende mate) 230a-bedrijfsruimte ook specifieke bepalingen in het BW kennen. De groep huurders van ongebouwde onroerende zaken betreft een diverse groep, waarbij de belangen zeer uiteen kunnen lopen. Onder het huurregime van ongebouwde onroerende zaken vallen onder andere parkeerplaatsen, losse stukken land zonder bebouwing die geen landbouwfunctie hebben, standplaatsen op een camping en sportvelden. Er worden daarnaast ook huurovereenkomsten voor ongebouwde onroerende zaken gesloten waar vervolgens, al dan niet met toestemming van de verhuurder, een opstal op gebouwd wordt. Denk hierbij aan tankstations en vakantiehuisjes. De wetgever heeft onderkend dat de huurders van woonruimte, 290-bedrijfsruimte en 230a-bedrijfsruimte behoefte hadden aan huurbescherming. De huurbescherming voor huurders van ongebouwde onroerende zaken is door de jaren heen, al dan niet gerechtvaardigd, niet wettelijk geregeld. In het proefschrift is de vraag onderzocht wat de rechtspositie van huurder van ongebouwde onroerende zaken op basis van de huidige wetgeving en jurisprudentie is en op welke manier die positie kan worden verbeterd.